Istanboel blues

Aantal keer bekeken:563

Miles neemt een slokje van zijn rode wijn. Behoedzaam zet hij het glaasje terug op de tafel, leunt achterover en zegt dan: “Ooit als Turk naar Nederland geweest?” Een retorische vraag als reactie op mijn opmerking dat ik de douane onbeschoft vond op Istanbul Sabiha Gökcen Airport.

Istanboel – Ik ben Istanboel binnengekomen aan Aziatische zijde. De ontvangst was van een ijzige kilte slechts doorbroken door het militaire geblaf van de douanebeambten. Het soort kilte dat je oorspronkelijk vreugde over je aankomst in het land direct teniet doet.

Vooruit, ze hadden me in Istanboel niet uren doorgezaagd over m’n plannen zoals in Tel Aviv destijds. Niet dat ik die had, ik zou bij Miles logeren en wel zien hoe ik de dagen zou doorbrengen.

Istanboel blues

In de bus van het vliegveld naar het Taksimplein ontmoette ik een IJslander. De tocht door Azië en Europa ging op aan verhalen over zijn uitzonderlijke familie. Vanaf Taksim had ik een taxi genomen en tien minuten later had ik bij Miles aangebeld.

“Er is hier nog nooit iemand zonder mijn hulp gearriveerd”, was het eerste dat hij zei. In een stad als Istanboel, met zo’n 15 miljoen inwoners, steeds wisselende huisnummers, om nog maar te zwijgen van de straatnamen, hadden de meeste taxichauffeurs geen idee waar ze moesten zijn.

Straatkatten in Fulya

Miles loodste zijn gasten altijd telefonisch door de wijk Fulya: de straat omlaag, rechts langs het eetcafé waar geen alcohol wordt geschonken, links langs de voerbakjes voor straatkatten – pas op want er zit daar een hele kattenfamilie die nog wel eens midden op straat wil liggen – en tot slot langs de kapper die je neusharen met brandende watjes weg schroeit.

Natuurlijk viel er nog wel wat aan mijn performance te verbeteren, nuanceerde Miles zijn lof, want ik had me gigantisch laten afzetten. “Pff, 30 lira voor dat kippeneindje.” Dat hadden er tien moeten zijn en dan nog had ik er op toegelegd. Maar ik was er. Lustte ik soms een glaasje wijn?

Kadiköy

Wij kenden elkaar niet, Miles en ik. Ik trof hem op airbnb. Het feit dat ik niet in een anonieme flat wilde verblijven en de kamer goedkoop was, had de keuze bepaald. Dat Miles de New York Times las, stronteigenwijs was en nooit te beroerd om zijn terras en wijn met me te delen, kleurde mijn verblijf.

In de dagen die volgden, verkende ik de stad. Ik nam het veer over de Bosporus naar Kadiköy, naar Ortaköy of Kabataş. Ik zag jonge vrouwen, hun gezicht omlijst door de türban – Turkije’s meest politieke kledingstuk –  schaamteloos hun geliefden kussen, leunend tegen de reling van de boot.

Bosporus

Mannen met dienbladen vol theeglaasjes liepen gehaast de lengtes van het schip. Koopmannen demonstreerden de passagiers het nut van een citroenpers of knoflookknijper. Een blinde man moest van zijn vrouw op de foto.

Eenmaal op de oever dronk ik thee in de communistische theetuin vol poezen en jonge studenten. Ik luisterde hoe de oproep tot gebed echode over de straat van Marmara, ik bezocht een moskee, een Armeense kerk en een Grieks-Orthodoxe.

De straat van Marmara

En iedere keer als ik thuis kwam, openden we een fles. Miles vroeg wat ik gedaan had en gaf daar commentaar op. Sarcastisch en dwarsig over het algemeen. De zaken moesten tegen het licht worden gehouden, ondersteboven gekeerd en weer terug worden gezet. “Zoveel geloven, zoveel gebedshuizen”, concludeerde ik de eerste avond verbaasd.

“Ja dat zijn jullie in het westen niet gewend. Kregen jullie ineens Turken die moskeeën wilden plaatsen tussen jullie kerken.” Miles vond het een grap. Pas als we beiden ons verhaal hadden gedaan, schonken we ons nog eens in en dronken op zijn Istanboel.

Galatabrug

Ik liep over de Galatabrug vol vissers en zag de zolenverkoper waar Geert Mak over schreef. Ik bezocht de wachtkamer van de Oriënt Express, door Agatha Christie onsterfelijk gemaakt, al rijdt ze niet meer. Nu lagen er wat mannen te doezelen.

Diezelfde Agatha Christie kwam ik later weer tegen in het Pera Palas Museum hotel waar ze regelmatig verbleef.

Net als Hemingway en Atatürk, die laatste had er een eigen kamer dat nu een klein museum was in het hotel.

Atatürk en hoofddoeken

Ik neusde door foto’s van de Kemalist in zwembroek, genomen ergens aan het begin van de vorige eeuw, en dacht aan de meisjes in hun gesloten hoofddoeken, nu een eeuw later.

“Hoofddoekjes”, zei Miles die avond, “waren vroeger nooit een onderwerp van gesprek. Ik kan mij herinneren dat mijn oma er één droeg als ze naar buiten ging. Geen türban, maar een doek geknoopt onder haar kin. Toen Atatürk begin jaren twintig de hoofddoek verbood, verdween ze uit het straatleven in Istanboel.

Overwinning Erdogan

Sinds de komst van veel mensen uit Anatolië en de overwinning van Erdogan en zijn partij is het politiek geworden. Persoonlijk interesseert een hoofddoek mij niets.” Hij neemt nog een slok van zijn wijn.

“Dat vrouwen nu met hoofddoek naar de universiteit mogen, vind ik prima. Het is het politieke, het religieuze, dat me stoort.”

Oude Constantinopel

Terwijl ik thee dronk op de bazaar, neusde tussen stalletjes vol vis met binnenstebuiten gekeerde knalrode kieuwen of wijn dronk in een sjieke wijnbar rond de Istiklal Cadessi dacht ik na over het oude Constantinopel. Ik aaide een kat die naast me kwam zitten, bood een zwerfhond een stukje brood aan.

De stad was multicultureel lang voor het woord was uitgevonden. Mensen uit alle streken en van alle geloven krioelden er rond. En nu nog zie ik vrome moslims, mannen met handkarren, vrouwen in minirok en Pakistaanse vrouwen in boerka door elkaar lopen.

Koerden

Hoe langer ik door de stad reisde en haar bekeek door Miles ogen, hoe meer ik haar ging waarderen. Ik begreep zijn angst. De angst van dingen die verdwijnen. We spraken over IS en over Koerden.

Miles had geen enkele moeite met Koerden. Miles had moeite met Erdogan. Zoals zoveel seculiere Turken die met verbijstering de overwinning van Erdogans partij in 2007 hadden gadegeslagen.

Istanboel van vroeger

Hij had een tijd zijn heil gezocht in het westen, maar daar was hij slechts Turk, één van velen. Niemand nam de moeite om te zien wie hij was, om te horen dat hij zijn talen sprak. Zoals mensen schijnen te denken dat doofstommen achterlijk zijn, zag men Miles eenvoudig niet.

Dus ging hij terug naar zijn stad en mijmerde over vroeger. Het vroeger van Miles, was het vroeger van voor Erdogan. Toen de meeuwen nog niet landinwaarts vlogen en de daken van Fulya hadden veroverd. Toen de zwerfhonden nog niet gechipt werden en massaal de straten bevolkten. Toen de wijn nog betaalbaar was.

Istanboel Modern

Hij zucht even. “Ach”, zegt hij dan, we waren zo bang toen hij aan de macht kwam, maar misschien raak je aan alles gewend.” In het Istanboel Modern loop ik door het vroeger van Miles en het heden onder Erdogan. Ik kijk naar foto’s uit de tentoonstelling: On the road, images of Turkey. 

Ik zie Armeense vrouwen in één van de weinige overgebleven Armeense dorpen, ik zie aanvallen op Koerden door de eerste vrouwelijke militaire piloot. De vrouw wiens naam het vliegveld siert.

Democratie in Turkije

Een meisje geadopteerd door Atatürk. Ik zie vermoorde journalisten, mishandelde vrouwen en overleden kinderen in zwaar vervuilde gebieden van Turkije.

“Democratie”, schampert Miles, die avond als ik hem over de tentoonstelling vertel. “Wat is democratie?” Als de meerderheid het voor het zeggen heeft, opper ik. “Nee”, zegt Miles en schuift de fles naar mij toe. “Democratie is als de meerderheid ook de minderheid beschermt.

Tekst: Anneke de Bundel – Beeld: Shutterstock

 

Share at:

Anderen lazen ook

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *