Het Jeruzalemsyndroom

Aantal keer bekeken:5277

“Je moet je voorstellen, er waren die dag twee mannen naar het Kfar Shaulziekenhuis in Jeruzalem gebracht. En alle twee beweerden ze Jezus van Nazareth te zijn.” De ogen van de Palestijn schitteren, zijn mond in een grijns ter voorbereiding op één van die absurde verhalen waar ze hier op de Westelijke Jordaanoever patent op hebben.

Jeruzalem / Beit Sahour – Ik zit in een soort Palestijnse koopgoot koffie te drinken in de lentezon. Mijn vierde mok sinds ik een half uur eerder in bezet gebied aankwam. De eerste dronk ik op een terrasje met uitzicht op een park. Het was nog vroeg en aan de overkant van de straat opende een man het toegangshek tot het stadspark. Toen het open zwaaide, zag ik dat het geen stadspark betrof, maar dat ik luttele meters verwijderd was van het veld waar ooit de herdertjes zo niets vermoedend bij nachte lagen.

Ik had me, eerlijk gezegd, bij dat veld een woestijnvlakte voorgesteld; hier een daar een grasje waar een dorstig schaap aan knabbelde, een ster die de ruw gewekte herders wat bij lichtte nu ze heuvel opwaarts een stal moesten vinden. Maar zoals altijd schiet mijn fantasie schromelijk tekort. Het veld is een aangeharkte stadstuin vol flitsende Japanners, prevelende Russen en Franciscaner monniken die in bruine pijen voorbij haasten.

Dries van Agt, minister-president eind jaren zeventig, kwam in Beit Sahour tot de conclusie dat het Palestijnse volk gruwelijk onderdrukt wordt. Een mening die hij tijdens zijn ambtsperiode zeker niet was toegedaan. De inkeer kwam na zijn pensionering, hier in het dorp van de herders.

Grens Westbank, muurschildering Israel - five fingers of the same hand

Dat de plaats waar de herdertjes zo lekker lagen te dommelen de koffieverkoper geen windeieren heeft gelegd, blijkt uit de prijs: “Zes dollar?”, roep ik verbluft. “Er zat niet eens melk in de cappuccino.” “Het was cappuccino zonder melk”, legt de jongen zuchtend uit.

Die morgen ben ik vroeg mijn bed uitgerold in Nachlaot, een 19e-eeuwse volkswijk in West-Jeruzalem waarvan de huizen slordig over een heuvel liggen uitgestrooid.

Israëli’s zijn een rommelig volk bedenk ik terwijl ik moeizaam de heuvel op zwoeg op weg naar de tramhalte. Overal staan kapotte tafels, stoelen met drie poten hangen over relingen van balkons, die op hun beurt zelf scheuren vertonen. Was wappert aan de lijnen in de smalle straatjes. Op de vuilniscontainers liggen dikke katten in de zon.

Ethiopische joden

Bovenaan de straat staat een groepje Ethiopische joden voor een cafeetje. Zwarte handen om een bruin flesje bier. Stoïcijns kijken ze voor zich uit; de onderkant van de Israëlische samenleving, als je de Palestijnen niet meerekent. Aan de overkant van de straat voor Mahane Jehuda, de joodse markt, verkopen bejaarden hun treurige verzameling tweedehands spullen: tassen waarvan hengsels ontbreken, broeken met een kapotte rits. Ook in Israël is de crisis inzet van de verkiezingen.

Het is het druk op de markt. Groepjes soldaten met mitrailleurs losjes over hun schouder, staan te roken en duwen lachend tegen elkaar. Veel zwarte soldaten. Ergens las ik dat de Ethiopische joden staan te trappelen om aan hun vaderlandse plicht te voldoen door de drie jaar militaire dienst te vervullen. Dit in tegenstelling tot de ultraorthodoxe joden, de Charediem, met hun pijpenkrullen en zwarte hoge hoeden die ook de markt bevolken. Zestig jaar lang hoefden zij niet in dienst. Zij hadden hun handen vol aan het bestuderen van de Thora waardoor dienstplicht en arbeid van hen niet verlangd werd. Maar het Hooggerechtshof heeft verleden jaar bepaald dat de vrijwaring voor dienst illegaal is.

De dienstplicht voor ultraorthodoxen heeft het afgelopen jaar tot heftige protesten onder de Charediem geleid.

In Jeruzalem vormen ze veertig procent van de bevolking.“Het probleem is ingewikkeld”, schetste mijn gastheer me de avond ervoor. “Natuurlijk is het eerlijker als ook zij in dienst gaan, maar ze met een mitrailleur uitrusten is levensgevaarlijk voor Palestijnen en homo’s zoals ik.”

Vanaf de markt neem ik de tram naar Damascusgate, één van de toegangspoorten naar de oude stad van Jeruzalem. Ik sta ingeklemd tussen talloze Vromen, zoals de vertaling van Charediem luidt. Hun lange zwarte jassen, ooit in de mode in het Polen van de 18e eeuw, vormen een vreemd contrast met het eeuwige mobieltje aan hun oor.

Parasieten

‘Parasieten’, noemen veel Israëli’s de Vromen die van een uitkering leven en zeven tot acht kinderen krijgen. “De vraag is wie hen in de toekomst moet onderhouden”, zegt Mike, zelf een gelovige jood, met wie ik een paar dagen eerder een ontmoeting heb. “Ze krijgen veel kinderen, werken niet en maken een steeds groter deel van de bevolking uit.” Hij baalt er van dat zijn kinderen wel hun leven moeten wagen in het leger, terwijl deze gelovigen de dans ontspringen.

Bij Damascusgate zitten moslimvrouwen met kleurige hoofddoeken en zakken vol kruiden voor de poort van de stad. Bussen laden hier de toeristen uit. Van al die toeristen die de stad weer verlaten, worden er jaarlijks 150 acuut opgenomen en gediagnosticeerd met het Jeruzalem-syndroom.

Een geestelijke aandoening waarbij men zich een zwangere Maria of lijdende Jezus waant, al schijnt de laatste jaren met name koning David in trek te zijn. Vooral protestanten zijn gevoelig voor het fenomeen. Katholieken of moslims worden er zelden of nooit door bevangen.

Checkpoint

Ik stap in een krakkemikkig Arabisch busje dat me via de buitenwijken van Jeruzalem naar de checkpoint brengt. Mannen in leren jasjes en vrouwen in lange jurken en hoofddoeken rammelen het komende half uur met me mee.

Bij het checkpoint loop ik een gekooide gang in die in eindeloze haarspeldbochten naar het betonnen gebouw leidt. De mensen met wie ik de bus deelde zijn nergens te zien. In het gebouw houdt niemand me tegen. Blijkbaar interesseert het niemand dat ik naar Palestijns gebied ga.

Jeruzalemsyndroom israel

 

En dan sta ik aan de andere kant. Nauwelijks een half uur later en een wereldreis verder heeft het Hebreeuws plaatsgemaakt voor Arabisch en drink ik mijn vierde kop koffie met twee Palestijnen die een backpackerscafé, het Singercafé in Beit Sahour, beginnen en me inwijden in de basisvaardigheden van het Jeruzalem-syndroom.

“En dus”, vervolgt de Palestijn grijnzend zijn relaas, “besluit de psychiater om de twee Jezussen tegenover elkaar te zetten.” “Gelooft u dat hij Jezus is?”, vraagt de psychiater aan de ene man en wijst naar de andere. De man knikt bevestigend en zegt: “Ik geloof hem.”

“En gelooft u dat hij Jezus van Nazareth is?” vraagt de psychiater nu aan de andere man. De man knikt eveneens van ja. “In dat geval”, concludeert de psychiater, bent u samen één en dezelfde man.” Boos kijken de mannen de arts aan. “Welnee, dat kan toch niet, denkt u soms dat we gek zijn?”

Tekst en beeld: Anneke de Bundel

Share at:

Anderen lazen ook

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *