Waarom Dracula in Roemenië woont

Aantal keer bekeken:2955

Mijn neef trouwt een Roemeense. Nu weet ik weinig van Roemenen behalve dat ze gewelddadig zijn. Ik bedoel, er zijn weinig volkeren die zowel een bloeddorstige vampier als een wrede dictator voortbrengen.

Roemenië – Een dictator die op zijn beurt, net na het voorgerecht op eerste kerstdag, op het beeldscherm van mijn schoonouders wordt doodgeschoten. Kortom,  ik had wel zin in een bruiloft.

Op een warme zomeravond vlieg ik met Romeo en een bonte verzameling belangstellenden, waaronder een alcoholische nonkel in een rolstoel, naar het oosten. We worden opgewacht door Julia die ons naar buiten loodst.  Op de stoep verdeelt ze de groep over verschillende voertuigen. De nonkel verdwijnt met rolstoel en al in de achterbak van een taxi. Ik word een busje ingeduwd.

Met meer volwassenen dan er in het busje passen, rijden we naar het dorp van de bruid een uur buiten Boekarest. De buschauffeur blijkt autocoureur en jakkert de bus door de dalen van het niet-bestaande Roemeense asfalt. Door het raam zie ik de contouren van flats afgetekend tegen het oranje licht van straatlampen.

Blikken trommel

In Palanka hotsen we een ongeplaveide weg op. Kort daarna stoppen we voor een hek. Een magere vrouw wacht ons op.  “Julia mama”, zegt ze waarbij ze op zichzelf wijst. Ze duwt ons de tuin in. Uit het niets verschijnen vrouwen met hoofddoekjes die borden vol vlees op lange biertafels laden. Muziek schalt door boxen. De alcoholische oom kastijdt genadeloos een blikken kindertrommel. De overige mannen verdwijnen ondergronds in de kelder waar  de vader van de bruid wijn uit vaten tapt. In een hoek van de tuin huilt een Karpatische herder om aandacht.

Uren later, als de jonge wijn zijn werk heeft gedaan, gaan we naar ons hotel net buiten het dorp. Het is een groot gebouw met een tuin vol in beton gegoten dieren. Vanuit een hondenhok staart een hert ons met droevige ogen aan. ’s Morgens word ik wakker van paardengetrappel op straat. Een wagen voortgetrokken door een paard brengt schroot naar een golfplaten loods tegenover het hotel.

We gaan op zoek naar ontbijt. Langs een binnenzwembad omzoomd door plastic palmen, steken we door naar een grote ruimte met nog meer wuivend plastic. De stoelen zijn overgoten met crèmekleurig satijn dat bijeen is gebonden met oranje linten. Een decor dat niet zou misstaan bij het Eurovisie Songfestival.

Er is niemand te zien. Bij de receptie rookt een man met ontbloot bovenlijf een sigaret. Ontbijt? Hij schudt zijn hoofd: “Nee, geen ontbijt”. Dan slaakt hij een zucht. “Ok, ontbijt”. We krijgen zwarte koffie en vissticks. In de keuken krijst een vrouw. Als de kinderen vragen of ze in dat mooie blauwe bad mogen zwemmen, schudt de man zijn hoofd. Nee, daar is het niet voor bedoeld.

Scabreuze activiteiten

Het hotel is een raadsel. Gelegen aan een snelweg zonder afrit telt het meer dan 40 kamers. Wij zijn de enige gasten. Het wordt gerund door de blote man en de krijsende stem. Later ontwaren we nog een dikke puberdochter die de receptie als oefenterrein voor scabreuze activiteiten benut. Alle drie zijn ze ruim voorzien van het onbeschoftheidsgen.

We besluiten de dag in Boekarest door te brengen en gaan op pad. Althans dat zouden we hebben gedaan als dit een verhaal was, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we nog twee uur op een stoep zaten te wachten op een taxi die niet kwam. Uiteindelijk storen we de dochter en haar minnaar en vragen naar een bus.

Met een slap handje wordt er naar een plek achter het hotel verwezen. Langs de golfplaten loods volgen we de weg. Behalve zigeuners met paard en wagen komen we niemand tegen. Als we na een half uur lopen een zwangere vrouw langs de kant van de weg zien staan, voegen we ons bij haar in de hoop dat dit een bushalte is. Voor 50 cent neemt een minibusje ons mee naar Boletin waar we moeten overstappen.

De vissticks zijn ondertussen verteerd en we kiezen een tafel op een stoffig terras.  Honden onder de schurft scharrelen langs op zoek naar eten. Of we uit Zweden komen, vraagt de ober. Hij is daar geweest. “Fantastisch land. Tsja Roemenië”, zegt hij en zwijgt even. “Mijn vader werd vermoord tijdens de rellen die uitbraken rond de opstand van 1989. Mijn vader was geen politiek man. Hij was postbode. Hij was op de verkeerde plaats op het verkeerde moment.

We hadden er mee kunnen leven als het een doel had gediend. Als Roemenië vooruitgang had geboekt, dan was het niet voor niets geweest. Er  is hier niets veranderd. Het enige verschil is dat je nu in vrijheid kunt zeggen dat dit een land een shithole is.”

Dode vrouw

Er rijdt een paard en wagen voorbij. Op de kar ligt een dode vrouw in een open kist. “Waarom ligt die mevrouw daar?” wil de jongste weten. We nemen afscheid van de ober. Omdat het toilet van het restaurant verstopt zit, klop ik bij het internetcafé ernaast aan. De jongen achter de laptop verwijst me naar een houten hok in de tuin. Als ik even later het toilet doorspoel met het emmertje water, zie ik mijn behoeften door een open pijp in de tuin vloeien.

Vanuit Boekarest besluiten we een taxi terug te nemen. Het is te laat voor de bus. Het wordt langzaam donker. De taxi’s staan rijen dik geduldig te wachten. Als we de chauffeur onze bestemming uitleggen, schudt hij nee en trek het portier dicht. Het tafereel herhaalt zich bij iedere volgende taxi. Ik begrijp het niet. Waarom willen deze mensen geen geld verdienen? Het antwoord wordt gegeven door de laatste chauffeur in de rij. “Als je de nationale weg neemt, moet je een vignet hebben. Aangezien er zelden ritjes buiten de stad zijn, heeft niemand een vignet.” We bieden aan het vignet, dat 4 euro kost, te betalen en de man gaat akkoord.

Amerika

Zijn zoon woont in Amerika en hij hoopt genoeg geld te kunnen sparen om hem daar te ooit bezoeken. Onze rit van een uur moet daar aan bijdragen. Anderhalf uur later rijden we nog steeds door een donker niemandsland en het vermoeden rijst dat de chauffeur verdwaald is. Het duurt even voordat de chauffeur het zelf ook inziet. “Waarom zet je de navigatie niet aan”, vraag ik.  Het blijft even stil.  Dan zegt de chauffeur: “Dat kan niet omdat de helft van de letters het niet doen. De p en de l zijn kapot en jullie moeten naar Palanka.”

Met behulp van onze mobiel loodsen we de chauffeur door de binnenlanden van Roemenië. Als we eindelijk voor het hek van Julia’s ouderlijk huis staan, klinkt vanuit de tuin de trommel waarop de alcoholische nonkel door het geklets van de gasten rammelt. Morgen wordt er getrouwd. De chauffeur neemt afscheid en bezweert dat hij op eigen kracht de hoofdstad zal kunnen vinden. “Sorry”, verontschuldigt hij zich nogmaals. In de donkere nacht kijken we de lichtjes van de taxi na. “In Roemenië”, had hij eerder gezegd “gaat niks zoals het hoort. Waarom denk je dat Dracula in Roemenië woont?”

Tekst: Anneke de Bundel – Beeld: Jan Baert

Share at:

Anderen lazen ook

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *