De neonazi’s van Trakai

Aantal keer bekeken:3009

De jongen staarde over Gedimino Prospektas. Het was nog vroeg. Tegen de middag, zo was hem verteld, zou de boulevard vol stromen met duizenden Litouwers. Neonazi’s in leren jassen en legerkistjes. Tegen die tijd zou hij al lang en breed op een trein naar Trakai zitten. Dat hadden zijn gastouders uit voorzorg geregeld.

Trakai – De demonstranten, zo vertelden zijn gastfamilie vol van schaamte, trokken ieder jaar op 11 maart, Onafhankelijkheidsdag, de stad in. Ze zouden vanaf het Kathedraalsplein naar het Holocaust Memorial trekken. Ze scandeerden leuzen. Tegen de Polen, tegen de Joden, tegen de Russen, de homoseksuelen.

Litouwen voor de Litouwers

“Lituva, Lituviams”, of zoiets. Litouwen voor de Litouwers. Ze zouden banden dragen, als eerbetoon aan 1941, toen inwoners van Vilnius met witte banden om hun armen het voortouw namen in het afslachten van hun Joodse buren. De Duitsers waren nog niet eens gearriveerd.

Gisteren hadden ze met hun leraar een bezoek gebracht aan de oude Joodse wijk. De docent had verteld over de rol van Polen, Stalin en het getouwtrek om de Litouwse hoofdstad. Hij had niet goed opgelet. Hij hoorde wel dat er van de kwart miljoen joden die hier woonden er na de Tweede Wereldoorlog nog 5000 over waren.

Joods

Hij was niet bijzonder geïnteresseerd in geschiedenis maar de getallen hadden indruk gemaakt. Hij had zich afgevraagd hoe het was als de buurman, naast wie je al jaren woonde, je ineens kwam doden, zomaar. Hij dacht aan zijn eigen buurman.

De oude Gerd. Die maakte geen schijn van kans tegen hem, maar hij kon zich niet voorstellen dat Gerd op een goede een dag zich tegen hen zou keren en hen zou willen vermoorden.  De jongen had graag in de hoofdstad willen blijven om naar de demonstratie te kijken.

Neonazi’s

Hij was niet joods en ook niet homoseksueel. Hij had ook niets met neonazi’s, maar hij was gefascineerd door hun abstracte haat.

Zijn gastmoeder had resoluut het hoofd geschud. “Geen sprake van! Op 11 maart ben jij op het platteland. Het is te gevaarlijk voor een zwarte jongen als jij. Die gasten worden dronken, ik moet er niet aan denken wat er kan gebeuren als ze jou in het vizier krijgen.”

Hij had gezwegen. Niet vanwege de indirecte doodsbedreiging, maar vanwege het zwart zijn. Hij was nog nooit eerder geconfronteerd met zijn huidskleur. Zijn kleur kwam van Sri Lanka waar zijn ouders hem te vondeling hadden gelegd. Hij was geadopteerd en opgegroeid in een witte gemeenschap. Hij stond er zelden bij stil.

Trakai

Hij hoorde de moeder roepen. Het was tijd om naar het station te gaan. Daar wachtte zijn klas. Samen gingen ze naar het kasteel van Trakai. De conducteur floot en hij zag hoe de stad zich langzaam verwijderde en de trein door het sneeuwlandschap gleed.

Op een klein station hielden ze halt. In colonne trokken ze geluidloos door de sneeuw. Langs een markt waar vrouwen in bontjassen bloemen verkochten en honden opgerold onder kraampjes lagen. IJs klonterde in hun vacht. Het kasteel lag aan een meer.

Vissers

Het meer was met ijs bedekt. In de verte zag hij vissers, hun hengels in de gehakte gaten in het ijs. Het was stil toen ze hun eerste schreden op het bevroren meer zetten, de kreten van de meisjes uit zijn klas daargelaten.

In het kasteel kregen ze een rondleiding. Het had eens de hertog van Vytautas toebehoord. Die had het christendom naar Litouwen gebracht. De jongen luisterde nauwelijks. Hij had het koud.

Chocoladebar

Toen de rondleiding ten einde was, kregen ze vrije tijd. Er was een chocoladebar waar je warm kon worden. De jongen vond het best.Ze brachten de middag lachend en stoeiend door totdat iemand op de klok wees. “We moeten terug, het wordt al donker. Straks missen we de laatste trein.” Gehaast pakten ze hun spullen en gingen op weg.

Glibberend gingen ze door de sneeuw, tot iemand opmerkte dat ze door een auto werden gevolgd. De jongen keek om. Een vaalwitte Mercedes reed langzaam achter hen aan. Iedereen keek naar de zwarte jongen. Ze slikten.

Honden jankten

Angst greep hen vast. “Sneller”, riep iemand. De jongen voelde hoe zijn nekharen overeind stonden. Hij liep zo snel hij kon door de hoge sneeuw. In de verte doemde het stationnetje op. Het donker viel snel. De honden onder de verlaten kramen jankten.

De auto bleef stapvoets achter hen rijden. “Op het station ben ik veilig”, dacht de jongen. Maar was dat wel zo? Zouden de twee docenten in staat zijn hem te beschermen tegen de haat van de nazi? “Zo is het om opgejaagd te worden”, dacht hij.

Hij dacht aan de Joden en glibberde voort. Hij voelde met zijn hand achter zich waar zijn rugzak was. Had hij zijn zakmes bij zich? Hij had het in zijn koffer gestopt voor de vlucht. Had hij het later terug in zijn rugzak gestoken? Hij kon het zich niet herinneren. De auto had de achterste scholieren ingehaald en reed nu vlak achter hem.

Paniek

De koplampen wierpen hun licht op de sneeuw voor hem. Hij zag hoe zijn silhouet probeerde de passen te vergoten. Hij voelde nogmaals achter zich. Waar was zijn rugzak? Paniek kroop in zijn keel. Hij probeerde haar weg te slikken, maar z’n mond was gortdroog. Baf, hij struikelde en viel voorover in de sneeuw.

Moeizaam stond hij op, klopte de sneeuw af. De auto was schuin naar de berm vol sneeuw gereden, had zijn pas afgesneden. Achter de ramen zag hij slechts de contouren van de mensen die hem weldra zouden afslachten.

Stationnetje

Hij voelde hoe de groep achter hem tot stilstand kwam. “Juri, ze hebben het op jou gemunt. Als ze uit de auto komen, zet het op een lopen, wij proberen ze tegen te houden.” Hij wist niet wie dat zei, maar hij knikte. In de auto lichtte een sigaret op. Langzaam rolde het raampje open.

“Ze hebben een wapen”, schoot het door hem heen. Het donker was nu absoluut. In de verte zag hij het licht van het stationnetje dat hij nooit meer zou bereiken.

“Jullie kunnen hard lopen”, grinnikte de man achter het stuur. Zijn Engels was onberispelijk. Hij nam een trekje van zijn sigaret. “Waar kom je vandaan?” Juri’s keel zat dicht. Hij probeerde in te schatten of hij langs de auto kon komen.

Hard

De sneeuw in de berm was te hoog. De man monsterde hem even en draaide zich toen voorover naar de grond naast hem en pakte iets op.

“Is this yours?” De man met de sigaret hield een tas op, zijn rugzak. De jongen keek hem verbaasd aan. Hij knikte. “Vonden we in de bar. De eigenaar zei dat jullie net weg waren. We probeerde jullie te vinden. Verdomd, wat lopen jullie hard. “Hier pak aan, nog een geluk dat jullie niet al in de trein zaten.”

Tekst: Anneke de Bundel

Share at:

Anderen lazen ook

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *