Apricale, labyrintdorp voor minnaars en zeerovers

Aantal keer bekeken:234

Sommige streken dienen veroverd te worden. Niet omdat ze lelijk of ongenaakbaar zijn, maar omdat er geraken nu eenmaal veel van een mens vergt. Maar heb je eenmaal die helse tocht overwonnen, dan word je beloond: Met een lentezonnetje over een eeuwenoud dal, met een bord ravioli al preboggion of met het bijzondere gezelschap van Leonardo D. en Aristoteles. In mijn geval, kreeg ik het allemaal.

Apricale – Het was al donker toen ik onder barre weersomstandigheden vanuit Genua langs de kust van Ligurië omlaag zakte. Hevige regenval joeg het water uit de riviertjes en liet het kolken door de middeleeuwse dorpen. Code rood had het noorden van Italië in zijn greep.

Op de tv, boven de chauffeur, dreven auto’s zonder enig gevoel voor richting, door de straten. Voortgestuwd door een woede die vanuit de lucht werd gevoed. Ergens links buiten de bus bulkte de Ligurische zee tegen de Riviera di Ponente.

Apricale

Achter de donkere bergen lagen de borghi, eeuwenoude dorpen. Goed verstopt zodat vijandige volken hen niet zouden vinden of wanhopige gravinnen er aan moordlustige echtgenoten konden ontsnappen.

Het busje kwam tot stilstand in Apricale. Een bergdorp, zo’n twintig kilometer landinwaarts van Ventimiglia. Uit haar ingewanden kropen de vermoeide reizigers, waaronder ikzelf. Een Europees persgroepje dat die middag het luchtruim boven Italië was binnengedrongen en een storm boven Genua had getrotseerd.

Aristoteles

De Engelsman liet zich niet hinderen door zoiets futiels als een natuurramp en klom als eerste naar buiten. Daar filmde hij nauwgezet de stromende regen in de zwarte nacht. Een jonge Griek met een baard en een haarband volgde. Aristoteles in een vorig leven, in dit leven was hij reisjournalist voor een Duitse krant. Ari schoof de kletsnatte haarband uit zijn krullen.

Net toen de deuren wilden sluiten, klom een bejaarde Duitse vloekend uit het busje. “Dat dit land een Da Vinci kon voortbrengen, blijft een godswonder,” foeterde ze terwijl ze met een paraplu worstelde.

Genua overleven

We reisden al een dag samen. Bij het inchecken naar Genua had ze me toevertrouwd dat het onwaarschijnlijk was dat we de vlucht zouden overleven. Toen dat toch het geval bleek en ik uit pure dankbaarheid de grond wilde kussen, had ze me ongeduldig opgetrokken.

“Waan jezelf nog niet veilig. Naar een hoog gelegen bergdorp als Apricale gaan ist aber Wahnsinn. Waar denk je dat een storm als eerste toeslaat?”

Borghi

De twee bejaarde zussen die ons in Apricale met een golfkarretje opwachtten, leken niet erg gebukt te gaan onder het naderende onheil. Stoïcijns lieten ze het water van hun plastic regenmutsjes druipen.

We kregen een sleutel met een naam. Girasole heette de mijne. Zus Twee gebaarde dat we in het golfkarretje mochten stappen. Even later roetsj ik met Ari en de Duitse de berg op. Apricale bestaat uit eeuwenoude huizen die tegen elkaar en de berg aanleunen. Tussen de huizen kronkelen steegjes.

Dante

In de middeleeuwen, toen Italië uit tal van kleine republiekjes bestond en Dante nog niet aan de poorten van de Italiaanse literatuur noch van de hel had geklopt, bouwden ze deze nauwe steegjes.

“Om vijanden te misleiden, werden ze als een labyrint gebouwd”, vertelt zus Twee, terwijl we verder omhoog klimmen. In de gutsende regen doet Apricale aan een duister Edinburgh denken.

Saracenen

“Het gevaar kwam zowel van land als vanuit zee. Van zee kwamen de Saracenen. Het was gebruikelijk voor hen de mannen of jongens te kidnappen en ze te gebruiken als slaaf. Meisjes waren evenmin veilig. Die werden ingezet voor huishoudelijk werk of als seksslaaf.”

“Seksslaaf?” De Duitse wordt alert en kijkt Aristoteles aan. Als enige man aan boord van de golfkar moet hij kennelijk de Saraceen verantwoorden. “De Saracenen kwamen uit de Levant. Wat we nu Israël, Jordanië, Libanon, en Syrië noemen. En niet te vergeten een deel van Turkije”, doceert hij, terwijl hij behendig de vraag omzeilt waarom mannen mannen vrouwen als seksslaaf inzetten.

Piraten en plunderaars

“Ze waren berucht in de middeleeuwen als piraten en plunderaars’, vult zus Twee aan. “Rond de Middellandse Zee werden alle dorpen en steden beschermd tegen hun aanvallen. Wij beschermden ons op deze manier.”

Alsof de Saracenen ons op de hielen zitten, geeft zus Twee gas en zoeven we verder. Overdekte gangetjes worden afgewisseld door straatjes waar de regen naar beneden klettert.  Het is zo smal dat we regelmatig een potplant scheppen.

Albergo diffuso Munto e Cara

We komen tot stilstand voor een van de vele woningen in het middeleeuwse centrum. Op de gevel de afbeelding van een zonnebloem. Dezelfde als op mijn sleutel. We worden ondergebracht in het bijzondere Albergo diffuso Munto e Cara hotel van de zussen.

De zussen runnen een project waarbij leegstaande huizen in het dorp worden opgeknapt per kamer. Samen vormen deze veertig kamers een hotel verspreid over het middeleeuwse dorp. Met de Griek en de Duitse deel ik een huis waarin we ieder een kamer hebben.

Italiaans melkmeisje

“Ooit was dit de apotheek met een woonhuis”, zegt zus Twee. Achter een lange gang vol antieke meubelen ligt mijn zonnebloem.

Een gewelvenkamer met brokaten gordijnen rond het bed, een kroonluchter en een bloemetjesplafond. Tegen de wand een schilderij van een Italiaans melkmeisje.

Aan de overkant van de woning bevindt zich het huis waar we de volgende morgen door zus Eén schandelijk zullen worden verwend met een ontbijtje van biologisch verantwoorde lavendelkoekjes en gestoomde appeltjes.

Ristorante A Ciassa

Nadat ik uit m’n koffer droge kleren heb gevist, moet ik in het labyrint mijn weg zien te vinden voor het diner. Ik hoef niet alleen te dolen want ook Ari staat op het punt zich in het labyrint te verliezen.

We worden verwacht in Ristorante A Ciassa op de Plaza, maar we zijn na een straatje het spoor al volkomen bijster. Het is zo donker en ieder gevoel voor richting verdwijnt in de meanderende steegjes. Af en toe gooit de wind een plant voor onze voeten. Of zijn het de Saracenen?

Ligurische Keuken

Als we uiteindelijk het restaurant vinden zijn we opnieuw doornat. De eigenaar haast zich om ons van dikke handdoeken en grote bokalen lokale wijn te voorzien. Het restaurant is in handen van een jong stel die de lokale Ligurische keuken voert.

Terwijl de Engelsman de natte handdoeken filmt, genieten wij van olijvenpatés, taartjes van pomedores, ravioli gevuld met lokale kruiden, een stoofpotje van groenten. En tot slot een heuse zabaglione.

Zabaglione

Dit nagerecht werd al in de middeleeuwen in deze dorpen gemaakt op basis van geklopte eierdooiers en marsalawijn. En het moet gezegd: het is hét menu bij uitstek als code rood dreigt.

Als ik de volgende morgen de brokanten sprei afschud en het gordijn open, zie ik dat Edinburgh heeft plaatsgemaakt voor Italië. Zonlicht zet de steegjes in een roze gloed. Buiten ontdek ik dat de straatjes doorkijkjes bieden over de heuvels en een eeuwenoud dal.

Ik loop langs terrasjes met gietijzeren tuinmeubels en omgewaaide potplanten. De geur van koffie ontsnapt aan percolators achter deuren die versierd zijn met afbeeldingen van katten.

Castello della Lucertola

In het zonlicht is het makkelijker mijn weg te vinden en even later sta ik voor het Castello della Lucertola, een kasteeltje gebouwd op een rots. Tegen de muur tref ik een houten kast met boeken aan. ‘Gratis’ vermeldt een handgeschreven papiertje.

Een paar romannetjes met naar amore smachtende verpleegsters, maar ook een boek over Cristina Anna Bellomo, de mooie gravin van Apricale die hier in 1904 om het leven kwam. Haar verhaal begint als de doktersromannetjes in de kast, maar kent beduidend meer dalen, spanning én een slechte afloop.

Cristina Anna Bellomo

Ze trouwde in het fraaie kasteel dat de piaza domineert. Echtgenoot Baptist Pisano, wist niet hoe snel hij door het labyrint aan zijn huwelijk moest te ontsnappen en liet de gravin al na een dag in de steek.

Gelukkig was daar Graaf Charles de La Tour om haar te troosten. Hij nam haar mee naar Frankrijk, waar hij vervolgens doodging en zo fatsoenlijk was haar zijn bezit na te laten. Tot zover Bouquetreeks. De gravin reist af naar het mondaine Rusland van voor de revolutie.

Sergei Alexandrovich Romanov

Daar ontmoet ze Sergei Alexandrovich Romanov, de broer van de tsaar. Hij wordt verliefd op haar wordt en zet haar en passant als spionne in. Dat loopt echter ernstig mis en de gravin wordt ontmaskerd en gevangen gezet.

Na verloop van tijd wordt ze toch vrijgelaten en keert naar ze Apricale terug. Ze wil scheiden van de echtgenoot die ze na de bruiloft nooit meer heeft gezien. Ze is van plan in het huwelijk te treden met haar Sergei, die overigens ook getrouwd is, maar dat terzijde.

Museum van Apricale

Helaas, Pisano weigert te scheiden. Sterker nog: hij doodt haar omdat, zo concludeert mijn boek, hij een jaloerse echtgenoot was. Ik op mijn beurt concludeer dat ik werkelijk niks van Italiaanse mannen begrijp.

Ik besluit de gravin een bezoekje te brengen in het plaatselijk museum van Apricale. Daar is een kamer met een bed en een spiegel gewijd aan de gravin. Een kamer die niet zou misstaan in het hotel van de zussen. Ik word door de burgemeester ontvangen die zich verontschuldigt voor de ravage die de storm heeft aangericht.

Teatro di posa

“Apricale is het mooiste dorp van Italië”, betoogt hij gloedvol, “maar is ook bekend vanwege het Teatro di posa. Een schouwspel dat iedere zomer tegen het decor van het middeleeuwse dorp wordt opgevoerd waarbij je wandelend van locatie naar locatie steeds een andere act voorgeschoteld krijgt.”

“Waarom hebben jullie eigenlijk zoveel afbeeldingen van katten?”, wil Ari weten als we in een kamer met een plafondschildering van katten zijn. De burgemeester haalt z’n schouders op. “De schuld van de Japanners. Die kwamen hier ooit en maakten een documentaire over de katten in dit dorp. Toen gingen de mensen katten schilderen.”

Sergio Bianco

Op de kerktoren van Apricale bij het museum hangt een fiets. “Een kunstenaarsproject van Sergio Bianco”, zegt de burgemeester. Sergei de minnaar, Sergio de kunstenaar. De Serges uit dit labyrintdorp beginnen me te duizelen.

Als aan het eind van de morgen onze bus Apricale wil verlaten, springt een man met lange wapperende haren naar binnen. “Sorry”, hijgt de man terwijl hij door de bus beent. “Ik heb gisteren mijn trein gemist vanwege de storm. Mijn naam is Leonardo, ik ben journalist uit Venetië en ietwat verlaat.

“Ach wat is laat, mijn beste Leonardo D.” , relativeert de Griek. De laatste keer dat we wat van je vernamen was een eeuw of vijf geleden. We hebben alle tijd.”

Tekst: Anneke de Bundel – Beeld Shutterstock

Deze reis vond plaats op uitnodiging van Enit, Italiaans National Tourisme Bureau

Apricale praktisch:

Meer Italië? Lees ook:

Boeken over Genua? Lees:

Share at:

Anderen lazen ook

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *