De dames op de Faeröer eilanden

Aantal keer bekeken:745

De Faeröer eilanden. We kunnen er kort over zijn: Je moet er heen! Al is het maar voor de toiletten die in ieder gehucht altijd weer worden aangeboden. Of voor de kapitein van de ferry die heus wel op je wacht, tenzij het vrijdag is en het weekend lonkt. Of voor oma die van de heerlijke pannenkoekjes bakt en er alles aan doet om je nooit meer van Sandoy te laten vertrekken.

Klaksvik – “It doesn’t look that way, but we will be just fine!”, roept de fotografe naar de verbijsterde autoverhuurder als onze volautomatische Toyota Hybride met een schok naar achteren stoot om vervolgens met gierende banden het zwarte asfalt van het vliegveld achter zich te laten. We zijn op weg naar Stremoy, het hoofdeiland van de Faeröer eilanden waar de hoofdstad Tórshavn zich nestelt aan een baai met uitzicht op het eiland Nólsoy.

De Faeröer eilanden

We kunnen er kort over zijn:

Je moet er heen!

Al is het maar voor de toiletten die in ieder gehucht altijd weer worden aangeboden. Staat er een school leeg? Is het gemeentehuis onbewoond? Ze maken er in een handomdraai een wc van met uitzicht over een fjord met dartelende walvissen. De verwarmde bril én het eeuwig zacht rollende wc-papier krijg je er gewoon bij.

Kijk wel uit met de ferry. De eilanden hangen aan elkaar van ferry’s maar niet van informatieborden. En de oversteektijden worden door de eilanders ritueel geheim gehouden. Oja, en hoe je heet en of dat goed gespeld is en correspondeert met de naam in je paspoort is irrelevant. Iedereen is welkom.

Denemarken

En je mag er ook weer weg want niemand controleert dat. Dat ze bij Denemarken horen, is een misverstand. Dat denken alleen de Denen die twee uur vliegen verderop wonen. Enne… over dat walvissen afslachten… Kun je het beter niet hebben, want dan slaan ze je voor je het weet met jouw opgehokte varkens en gemartelde legbatterijkippen om de oren. Maar buiten dat… you’ll be just fine!

We kunnen er ook lang over zijn:

Ik worstel met de routeplanner op mijn telefoon want die laat een witte vlek zien, waar er toch minstens 18 eilanden tevoorschijn moeten komen. “Ik zie alleen contouren, geen wegen”, mopper ik. Het is buitengewoon donker om ons heen. Nergens een verlichte weg, laat staan een huis.

“Laat maar, ik heb ‘m al”, zegt de fotografe en gooit haar mobiel in mijn schoot. “Blijf op de wegelf”, zegt de GPS. Weg-elf of weghelft? Dat laatste is geen overbodig advies voor Nomad die altijd meer weg neemt, dan haar toekomt.

Heimablídni

We zijn op weg naar de hoofdstad via een ingenieus systeem van tunnels. De bedoeling is om eerst een heimablídni aan te doen, niet te verwarren met een grindadrap, een walvissenslacht. Hoewel het eten bij eilandbewoners thuis daar wel een beetje op neer schijnt te komen. Afgeschrikt door onze vegetarische staat, verkopen alle thuiskoks nee.

‘Een te grote uitdaging’, noemt de vrouw van de schapenboerderij het om ons aan tafel te hebben zonder dat we ook maar één schapendarmpje of lamsbilletje in ons mond willen stoppen. “Sorry”, zegt een ander, “maar wij hebben alleen bloedworst en walvisvlees op het menu.”

Kalsoy

Dan maar door naar Hotel Foroyar voor een salade en een korte nacht want we moeten de volgende morgen vroeg op om de enige ferry van de dag te halen naar Syðradalur waar we een afspraak met schapenboer Jóhannus hebben.

Om je een idee te geven: we moeten van Tórshavn op Stremoy per tunnel naar het eiland Esturoy, dan verder per tunnel naar het eiland Borðoy en daar pakken we de ferry naar het eiland Kalsoy. Het is zo ingewikkeld als het klinkt en het is hartstikke donker als we vertrekken.

Klaksvik

“Ongeveer een uurtje had het Bureau voor Toerisme aangeven en we vertrekken ruim op tijd. Maar de GPS in de auto geeft anderhalf uur aan. Shit aankomsttijd 07.59 en de boot vertrekt om 8.00 uur. “Dat wordt een uitdaging”, zeg ik terwijl Nomad de Hybride op z’n elektrische staart trapt.

Wij hebben geen exacter adres dan de haven van Klaksvik. Hoewel ik niet denk dat het Rotterdam is, vrees ik het ergste. Ik besluit de maatschappij te bellen. Wonderlijk, maar om 6.45 uur nemen ze op de Faeröer Eilanden gewoon de telefoon op. Het meisje is uiterst vriendelijk. “Nee geen probleem. Ik leg het je even uit:

Je komt in Klaksvik bij een rotonde en dan gaat je rechtdoor.

Dan volg je een tijdje de weg en dan ga je, denk ik, rechtsaf.

Of nee, wacht, doe maar links. Uh ja ik denk bij de 2e weg want de eerste is doodlopend maar dat merk je vanzelf wel.

Nee de straat heeft geen naam. Maar kom maar naar Stangavegur. En ter hoogte van de Magn zie je wel de boot liggen. Magn? Dat is een bezinestation. Ja ik zal de kapitein zeggen dat jullie in aantocht zijn en hem vragen koffie met mij te drinken.” Een heldere lach.

Ferrymaatschappij

Enigszins gerustgesteld rijden we totaal verkeerd en in Klaksvik bellen we opnieuw de ferrymaatschappij. Het is 1 voor 8. “Sorry”, hijg ik. “We komen er aan, we zien de haven liggen, alleen nog even de boot zoeken.”

Ik lieg, maar dat doet er niet toe. Klaksvik is de haven en ligt in een kom met een gigantische berg die uit het water opstijgt, maar niets dat er op wijst dat er een ferry is.

Ferry naar Syðradalur

“Met wie spreek ik”, vraagt een boze stem aan de andere kant. “ Oh sorry”, zeg ik . Ik had net je collega aan de telefoon en haar verteld de kapitein even bezig te houden. We zijn twee journalisten uit Nederland en moeten met de ferry mee, want het is de enige vandaag en we hebben een interview met een boer.”

“Pardon”, onderbreekt de stem mij. “Vraagt u mij nou serieus om een ferry tegen te houden? Dan moet ik u teleurstellen. De kapitein vertrekt stipt om 8.00 uur.” Ik zie hoe de klok op de 8 verspringt.” “Oh, uw collega zei anders…” “Mijn collega? Wie bedoelt u? Ik werk alleen.”

Eiland Sandoy

Voor dat ik van verbazing kan bekomen, zie ik ineens het rode symbool van de Magn. “Daar”, schreeuw ik naar de fotografe. Onder de het benzinestation ligt een aftandse boot die wel of niet een ferry kan zijn. We zetten koers naar de boot.

“Is dit de boot naar Syðradalur?”, vraag ik de man die er als de kapitein uitziet. “Zijn jullie de Hollanders?”, vraagt hij als antwoord. Een kwartier later vaart de boot uit, we zijn de enige passagiers.

Noorse familie

Op tijd zijn is overigens geen garantie dat je een ferry haalt, ondervinden wij een dag later. Ditmaal zit oma in de weg. We zijn beland in de gifgroene woonkamer van een boerenfamilie op het eiland Sandoy, in het zuiden van de archipel.

De familie trakteert ons op koffie en pannenkoekjes. Het is vrijdagmiddag en de ferry gaat om 18.00 uur terug richting Tórshavn. Tenminste, dat beweert de familie want een informatiebord hebben wij nog nergens op de Faeröer eilanden kunnen ontdekken.

Tórshavn

Oma is net luidkeels Tulpen uit Amsterdam aan het vertolken als de kleinzoon laat vallen dat de ferry niet om 18.00 uur vertrekt maar om 16.30 uur. Het is 15.45 uur en we zijn tien minuten van de ferry verwijderd. Geen reden tot paniek. “Het is wel zaak om op tijd te zijn”, zegt de boer.

“Het is vrijdag en dan wil iedereen van dit eiland af en kan de ferry vol zijn.” “Shit”, we schieten in onze jassen en bergschoenen waarop ik bijna mijn nek breek over de veters die ik in mijn haast los heb gelaten. Nadat we iedereen uitvoerig maar zeer gehaast hebben bedankt, komt oma met een foto van een vrouw op een rots.

Filmster op een rots

“Raad eens wie dit is?” Ik werp een blik op de zwart-wit foto. Geen flauw idee. Ook niet waarom die vrouw op die rots zit. “Een filmster”, raad ik . “Hoe heet ze ook al weer?”, “Ja precies die”, zegt Nomad terwijl ze zonder al te veel succes probeert de auto van afstand te ontgrendelen.

“Nee”, zegt oma beledigd en kijkt nog eens naar de foto alsof ze zich ervan wil vergewissen dat we toch niet stiekem gelijk hadden. “Een zeemeermin”, probeer ik weer. De Faeröer eilanden horen tenslotte bij Denemarken.

De koningin van Denemarken

Ik vraag me af of het heel onbeleefd zou zijn oma omver te werpen en dan met een snoekduik de auto in te duiken. Ik bedoel: allemaal leuk en wel maar ik wil wel van dit eiland met die drie nederzettingen af. Er is hier niks, geen hotel, niet eens een restaurant en ik vrees dat we ook op dit eiland niet bij een heimablídni terecht kunnen voor een vegetarische hap.

“Nee kom, zo dom zijn jullie toch niet”, begint oma. Ik onderdruk een oerkreet. Nomad is inmiddels in de auto gesprongen en wil ik nog een kans maken moet ik nu mee. “De koningin van Denemarken natuurlijk. Kijk zie je daar die rots buiten?”

Oma wurgen

Ik verwerp de optie oma te wurgen en werp semi belangstellend een blik op de rots onderwijl “nou dag hoor”, roepend. En weg zijn we. We hebben nog een kwartier. “Het is 10 minuten rijden”,  hijgt Nomad die met 190 km/u de haarspeldbochten neemt. Ik zak onderuit. Mijn taak zit er op. Voor ons rijdt een auto met 200 km/u door de bochten. “Wil vast ook de ferry halen”, grap ik.

“Die haal ik in wel in”, gromt de fotografe. Maar de eilander is geen partij voor ons. Slippend komen we tot stilstand bij de ferry. Achteraan in een kilometerslange sliert van wagen en vrachtauto’s. Klaar om ingescheept te worden.

Skopunafjord

“Ik had ‘m moeten hebben.”, vloekt de fotografe als de hefboom precies voor onze auto neerkomt. “We staren in het donker over het Skopunafjord. Wild schuimend water. Over drie uur zal hier de laatste ferry verschijnen. Wij zullen als eerste aan boord zijn.

“We hadden niet naar het eiland moeten komen maar gewoon naar die Turkse dame moeten luisteren”, moppert Nomad. “Turkse dame? Welke Turkse dame?” “Die van de GPS die overal het lidwoord de voorzet. De weg-elf. We hadden gewoon op weg 11 moeten blijven.”

Tekst: Anneke de Bundel – Illustratie: Flos Vingerhoets

Deze reis werd mede mogelijk gemaakt door de fantastische hulp en kennis van Súsanna E. Sørensen en Levi Hanssen van Visit Faroe Islands.

Meer over de Faeröer Eilanden? Lees ook:

De Faeröer eilanden praktisch:

De Faeroër eilanden in boeken:

Share at:

Anderen lazen ook

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *